heldere teek

Q-KOORTS

de Australische tekenbeetkoorts

Rogier Verberne
met tekeningen van Marisca Bruinooge-Verberne

ELISA


De ELISA (Enzyme-Linked ImmunoSorbent Assay) is een test waarmee de concentratie aan afweerstoffen tegen een ziekteverwekker kan worden gemeten. Een ELISA reageert alleen met de afweerstoffen tegen één bepaalde ziekteverwekker, maar is ook weer niet zo specifiek dat afweerstoffen tegen de verschillende stammen van eenzelfde bacteriesoort er door onderscheiden worden. Zo reageert de ELISA op Q-koorts met de afweerstoffen tegen alle 15 verschillende stammen van Coxiella burnetii. De test is gevoelig en reageert al bij een lage concentratie. Vooral bij grote verdunning is dat van belang zoals in tankmelk (bulkmelk).

Acute infectie

Om met behulp van een ELISA een acute infectie te diagnosticeren zijn twee bloedmonsters noodzakelijk. Die worden afgenomen met een tussentijd van ongeveer drie weken. Want na een opgelopen infectie heeft het immuunsysteem eerst een week nodig om de vorming van afweerstoffen op te starten. Vervolgens duurt het nog twee weken voordat de afweerstoffenproductie op volle toeren draait. Een sterke stijging van de concentratie aan afweerstoffen (titerstijging) in het tweede monster is het bewijs van een acute infectie. Door slechts één bloedmonster te onderzoeken, kan niet worden vastgesteld of er een titerstijging is. Daardoor onstaan foutieve diagnoses.

Vals-negatieve diagnose

Iemand loopt een infectie op en wordt drie dagen later ziek. De huisarts stuurt een bloedmonster naar het laboratorium om zijn waarschijnlijkheidsdiagnose te bevestigen. De uitslag van de ELISA is negatief (geen afweerstoffen aangetoond). Vals-negatief in dit geval, want de patiënt heeft wel een acute infectie maar zijn immuunsysteem kreeg nog onvoldoende tijd om afweerstoffen te produceren. Het interval tussen de infectie en de afname van het bloedmonster (drie dagen) was daarvoor te kort. Drie weken later is het tweede bloedmonster wel positief als de productie op volle toeren draait. De omslag van negatief naar positief wordt ‘seroconversie’ genoemd en bewijst de aanwezigheid van een acute infectie.

Vals-positieve diagnose

In 2007 loopt iemand een Q-koortsinfectie op. Hij voelt zich enkele dagen minder fit. Drie weken later heeft zijn immuunsysteem alle bacteriën gedood en uit het lichaam verwijderd. Dan stopt de productie van afweerstoffen en gaat de afbraak ervan beginnen. Dat is een  langdurig proces: afweerstoffen tegen Q-koorts blijven nog jaren in het bloed aantoonbaar. Zolang blijft de uitslag van de ELISA positief. Vals-positief, want de infectie is overwonnen. Door onderzoek van een tweede bloedmonster zal dat drie weken later blijken. De afweerstoffentiter is dan gelijk aan die van het eerste monster of is licht gedaald doordat de afbraak intussen is doorgegaan. Van een stijging is geen sprake. Dus ondanks de aanwezigheid van afweerstoffen in het eerste bloedonderzoek heeft de patiënt geen Q-koorts.

zeug met biggen

Varkens kunnen dragers zijn van de Q-koortsbacterie

Veeartsen

Mensen met intensief diercontact hebben vaak afweerstoffen tegen Q-koorts zonder dat zelf te weten. Bijvoorbeeld in een groep van 209 veeartsen reageerde bijna 81% positief zonder dat iemand de ziekte (bewust) had doorgemaakt. Als zij een andere infectie oplopen (bijv. griep) en hun bloed wordt daarbij op afweerstoffen tegen Q-koorts getest dan reageren zij positief terwijl ze geen Q-koorts hebben. En zo kan deze groep voor 169 (81% van 209) vals-positieve Q-koortsdiagnoses zorgen als geen tweede bloedonderzoek wordt ingesteld. Want dan blijkt pas dat hun afweerstoffentiter gelijk is gebleven of zelfs licht is gedaald.

Nederland

Bij recente steekproeven werden afweerstoffen tegen Q-koorts aangetoond bij 2,4% van de Nederlandse bevolking. Bij eenmalig bloedonderzoek kunnen in ons land dus 400.000 (2,4% van 16,5 miljoen) vals-positieve Q-koortsdiagnoses worden gesteld. De kans daarop is circa 98% omdat de concentratie aan afweerstoffen alleen in de acute fase van een infectie stijgt (gedurende drie tot zes weken) en omdat die afweerstoffen vervolgens drie tot zes jaar in het bloed aantoonbaar blijven. Microbiologen zijn het er dan ook over eens dat een deugdelijke diagnose alleen gesteld kan worden door herhaald bloedonderzoek. Seroconversie of een sterke stijging van de afweerstoffentiter vormen daarbij het bewijs van een acute infectie (Consensus bij diagnostiek acute Q-koorts).

Epicurve

De Q-koortsmeldingen van 2007 t/m 2009 zijn niet gescreend op vals-positieve diagnoses: alle meldingen zijn door het RIVM in de tabellen en in de epicurve opgenomen. Dus ook diagnoses die werden gesteld op basis van eenmalig bloedonderzoek. Toch is in de administratie van de laboratoria na te gaan hoeveel (of hoe weinig) van de meldingen betrouwbaar zijn doordat ze berusten op herhaald bloedonderzoek met seroconversie of een sterke titerstijging (bevestigde diagnoses). Misschien is die screening wel gedaan maar wordt het resultaat geheimgehouden. Een hoog percentage vals-positieve diagnoses zou immers gezichtsverlies betekenen voor veel medici en tot schadeclaims leiden van gedupeerde geiten- en schapenhouders.

ramskop

Conclusies

1. De ELISA is specifiek (reageert niet op andere afweerstoffen) en gevoelig (reageert al op geringe concentraties).
2. In de eerste week na een infectie zijn nog geen afweerstoffen in het bloed aantoonbaar; de uitslag van een eenmalig bloedonderzoek leidt dan tot een foutieve, vals-negatieve diagnose.
3. Als de infectie is overwonnen blijven de afweerstoffen nog jarenlang in het bloed aantoonbaar; de uitslag van een eenmalig bloedonderzoek leidt al die tijd tot een foutieve, vals-positieve diagnose.

 

© Rogier Verberne
ISBN: 978-90-818362-0-3
www.q-koortsbesmetting.nl

andere e-boeken van Rogier Verberne
Veterinaire Verhalen over Vee en Paarden
Jeugddiabetes en Ouderdomssuiker
Vergelijking van racefiets en ligfiets